Mattheüs 27:36
“En zij zaten neer en bewaakten Hem daar;”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 27 — omringende verzen
En nadat zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit, deden Hem Zijn eigen klederen aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
32En toen zij naar buiten gingen, vonden zij een man uit Cyrene, Simon geheten; dien dwongen zij om Zijn kruis te dragen.
33En toen zij kwamen op een plaats genaamd Golgotha, dat wil zeggen: Schedelplaats,
34gaven zij Hem azijn te drinken, vermengd met gal; en nadat Hij ervan geproefd had, wilde Hij niet drinken.
35En zij kruisigden Hem en verdeelden Zijn klederen door het lot te werpen; opdat vervuld zou worden hetgeen door de profeet gesproken is: Zij hebben Mijn klederen onder elkaar verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen.
En zij zaten neer en bewaakten Hem daar;
En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn aanklacht op, geschreven: DIT IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.
38Toen werden er twee moordenaars met Hem gekruisigd, één aan de rechterhand en één aan de linkerhand.
39En de voorbijgangers lasterden Hem, hun hoofden schuddend,
40En zeggende: U, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Indien U de Zoon van God bent, kom dan af van het kruis.
41Evenzo spotten ook de overpriesters met Hem, samen met de schriftgeleerden en ouderlingen, en zeiden: