Micha 6:8
“Hij heeft u getoond, o mens, wat goed is; en wat vraagt de HEER van u, dan recht te doen, en goedertierenheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God?”
Kruisverwijzingen
Context
Micha 6 — omringende verzen
O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? En waarmee heb Ik u vermoeid? Getuigt tegen Mij.
4Want Ik heb u uit het land Egypte geleid, en u verlost uit het diensthuis; en Ik heb voor u uit gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.
5O Mijn volk, gedenkt toch wat Balak, de koning van Moab, beraamd heeft, en wat Bileam, de zoon van Beor, hem geantwoord heeft, van Sittim tot Gilgal; opdat gij de gerechtigheid van de HEER moogt kennen.
6Waarmee zal ik voor de HEER verschijnen, en mij buigen voor de hoge God? Zal ik voor Hem verschijnen met brandoffers, met eenjarige kalveren?
7Zal de HEER behagen scheppen in duizenden rammen, of in tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn lichaam voor de zonde van mijn ziel?
Hij heeft u getoond, o mens, wat goed is; en wat vraagt de HEER van u, dan recht te doen, en goedertierenheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God?
De stem van de HEER roept tot de stad, en de man van wijsheid zal Uw naam zien: hoort de roede, en Wie haar heeft aangesteld.
10Zijn er nog de schatten der goddeloosheid in het huis van de goddeloze, en de verkleinde maat die verfoeilijk is?
11Zou Ik rein spreken met goddeloze weegschalen, en met een zak van bedrieglijke gewichten?
12Want de rijken van de stad zijn vol geweld, en haar inwoners spreken leugen, en hun tong is bedrieglijk in hun mond.
13Daarom zal Ik u ook ziek maken door u te slaan, u verwoestend om uw zonden.