Terug naar Nehemia 10
VSV
Statenvertaling

Nehemia 10:34

Ook wierpen wij het lot onder de priesters, de Levieten en het volk, voor de houtlevering, om het naar het huis van onze God te brengen, naar onze vaderlijke huizen, op vastgestelde tijden, jaar na jaar, om te branden op het altaar van de HEER, onze God, zoals geschreven staat in de wet.

Kruisverwijzingen

Context

Nehemia 10 — omringende verzen

29

sloten zich aan bij hun broeders, hun edelen, en traden in een vervloeking en in een eed om te wandelen in de wet Gods, die gegeven was door Mozes, de dienaar Gods, en om alle geboden van de HEER, onze Heer, en Zijn verordeningen en Zijn inzettingen in acht te nemen en te doen.

30

En dat wij onze dochters niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochters voor onze zonen zouden nemen.

31

En indien de volken des lands waren of enig graan op de sabbatdag te koop brengen, dat wij op de sabbat of op een heilige dag niets van hen zouden kopen; en dat wij het zevende jaar zouden laten rusten, en de invordering van elke schuld.

32

Ook stelden wij verordeningen voor onszelf vast om onszelf jaarlijks te belasten met een derde deel van een sikkel, voor de dienst van het huis van onze God,

33

voor de toonbroden, voor het voortdurend spijsoffer en voor het voortdurend brandoffer, voor de sabbatten, de nieuwe manen, de vaste feesten, en voor de heilige dingen, en voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël, en voor al het werk van het huis van onze God.

34

Ook wierpen wij het lot onder de priesters, de Levieten en het volk, voor de houtlevering, om het naar het huis van onze God te brengen, naar onze vaderlijke huizen, op vastgestelde tijden, jaar na jaar, om te branden op het altaar van de HEER, onze God, zoals geschreven staat in de wet.

35

En om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van alle vrucht van alle bomen, jaar na jaar, naar het huis des HEREN te brengen;

36

ook de eerstgeborenen van onze zonen en van ons vee, zoals geschreven staat in de wet, en de eerstelingen van onze runderen en van onze schapen, om te brengen naar het huis van onze God, tot de priesters die dienen in het huis van onze God.

37

En dat wij de eerstelingen van ons deeg, en onze hefoffers, en de vrucht van allerlei bomen, van wijn en van olie, zouden brengen tot de priesters, naar de kamers van het huis van onze God; en de tienden van onze grond tot de Levieten, opdat dezelfde Levieten de tienden zouden ontvangen in al de steden van onze landbouw.

38

En de priester, de zoon van Aäron, zal bij de Levieten zijn wanneer de Levieten de tienden ontvangen; en de Levieten zullen de tiende van de tienden brengen naar het huis van onze God, naar de kamers van het schathuis.

39

Want de kinderen Israëls en de kinderen van Levi zullen het hefoffer van het koren, van de nieuwe wijn en van de olie brengen naar de kamers waar de voorwerpen van het heiligdom zijn, en de priesters die dienen, en de poortwachters en de zangers; en wij zullen het huis van onze God niet verlaten.