Terug naar Nehemia 2
VSV
Statenvertaling

Nehemia 2:6

En de koning zei tot mij — ook de koningin zat naast hem —: Hoe lang zal uw reis duren, en wanneer zult u terugkeren? En het behaagde de koning mij te zenden; en ik stelde hem een tijd.

Kruisverwijzingen

Context

Nehemia 2 — omringende verzen

1

En het geschiedde in de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, dat de wijn voor hem stond; en ik nam de wijn en gaf die aan de koning. Nu was ik voordien nooit bedroefd geweest in zijn tegenwoordigheid.

2

Daarom zei de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, aangezien u niet ziek bent? Dit is niets anders dan droefheid des harten. Toen werd ik zeer bevreesd,

3

en zei tot de koning: De koning leve in eeuwigheid; waarom zou mijn aangezicht niet treurig zijn, wanneer de stad, de plaats van de graven mijner vaderen, verwoest ligt, en de poorten daarvan door vuur verteerd zijn?

4

Toen zei de koning tot mij: Wat begeert u dan? Zo bad ik tot de God des hemels.

5

En ik zei tot de koning: Als het de koning behaagt, en als uw knecht genade gevonden heeft in uw ogen, zend mij dan naar Juda, naar de stad van de graven mijner vaderen, opdat ik die herbouw.

6

En de koning zei tot mij — ook de koningin zat naast hem —: Hoe lang zal uw reis duren, en wanneer zult u terugkeren? En het behaagde de koning mij te zenden; en ik stelde hem een tijd.

7

Verder zei ik tot de koning: Als het de koning behaagt, laat men mij brieven geven aan de landvoogden aan gene zijde van de rivier, opdat zij mij doorleiden totdat ik in Juda kom;

8

en een brief aan Asaf, de bewaarder van het woud des konings, opdat hij mij hout geve om balken te maken voor de poorten van het paleis dat bij het huis behoort, en voor de muur der stad, en voor het huis waarin ik zal intrekken. En de koning verleende mij dit, naar de goede hand van mijn God over mij.

9

Toen kwam ik bij de landvoogden aan gene zijde van de rivier, en gaf hun de brieven des konings. Nu had de koning legeroversten en ruiters met mij meegezonden.

10

Maar toen Sanballat de Horoniet, en Tobia de knecht, de Ammoniet, dit hoorden, verdroot het hen zeer, dat er een man gekomen was om het welzijn van de kinderen van Israël te zoeken.

11

Zo kwam ik te Jeruzalem, en was daar drie dagen.