Nehemia 3:30
“Na hem herstelde Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaph, een ander gedeelte. Na hem herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 3 — omringende verzen
Palal, de zoon van Uzai, tegenover de hoek van de muur en de toren die uitsteekt van het hoge huis des konings, dat bij het gevangenisplein was. Na hem Pedaja, de zoon van Paros.
26Bovendien woonden de Nethinim in Ofel, tot tegenover de Waterpoort naar het oosten en de toren die uitsteekt.
27Na hen herstelden de Tekoïeten een ander gedeelte, tegenover de grote toren die uitsteekt, tot aan de muur van Ofel.
28Boven de Paardenpoort herstelden de priesters, ieder tegenover zijn huis.
29Na hen herstelde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. Na hem herstelde ook Semaja, de zoon van Sechanjas, de bewaarder van de Oostpoort.
Na hem herstelde Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaph, een ander gedeelte. Na hem herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer.
Na hem herstelde Malchija, de zoon van de goudsmid, tot aan de plaats van de Nethinim en de kooplieden, tegenover de Mifkad-poort, en tot aan de opgang van de hoek.
32En tussen de opgang van de hoek en de Schaapspoort herstelden de goudsmeden en de kooplieden.