Terug naar Numeri 18
VSV
Statenvertaling

Numeri 18:15

Alles wat de baarmoeder opent in alle vlees, dat zij de HEER brengen, hetzij van mensen of van dieren, zal het uwe zijn; evenwel zult u de eerstgeborene van de mens zeker lossen, en de eersteling van onreine dieren zult u lossen.

Kruisverwijzingen

Context

Numeri 18 — omringende verzen

10

Op de allerheiligste plaats zult u het eten; elke man zal het eten: het zal heilig voor u zijn.

11

En dit is het uwe: het hefoffer van hun gave, met alle beweegoffers der kinderen Israëls; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen en aan uw dochters met u, als een eeuwige inzetting: een ieder die rein is in uw huis, zal ervan eten.

12

Al het beste van de olie, en al het beste van de wijn, en van de tarwe, de eerstelingen daarvan die zij de HEER zullen offeren, die heb Ik u gegeven.

13

En wat als eerste rijp is in het land, dat zij de HEER zullen brengen, zal het uwe zijn; een ieder die rein is in uw huis, zal ervan eten.

14

Al wat in Israël gewijd is, zal het uwe zijn.

15

Alles wat de baarmoeder opent in alle vlees, dat zij de HEER brengen, hetzij van mensen of van dieren, zal het uwe zijn; evenwel zult u de eerstgeborene van de mens zeker lossen, en de eersteling van onreine dieren zult u lossen.

16

En degenen die gelost moeten worden, zult u lossen vanaf een maand oud, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, die twintig gera is.

17

Maar de eersteling van een koe, of de eersteling van een schaap, of de eersteling van een geit, zult u niet lossen; zij zijn heilig: u zult hun bloed sprenkelen op het altaar, en hun vet verbranden als een vuuroffer, tot een aangename reuk voor de HEER.

18

En hun vlees zal het uwe zijn, zoals de beweegde borst en de rechter schouder het uwe zijn.

19

Alle hefoffers van de heilige gaven, die de kinderen Israëls de HEER offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen en aan uw dochters met u, als een eeuwige inzetting; het is een zoutverbond voor eeuwig voor het aangezicht van de HEER, voor u en voor uw nageslacht met u.

20

En de HEER sprak tot Aäron: U zult geen erfenis hebben in hun land, en u zult geen deel hebben onder hen; Ik ben uw deel en uw erfenis onder de kinderen Israëls.