Openbaring 7:11
“En alle engelen stonden rondom de troon, en rondom de oudsten en de vier wezens, en zij vielen voor de troon neer op hun aangezicht en aanbaden God,”
Kruisverwijzingen
Context
Openbaring 7 — omringende verzen
Uit de stam van Aser waren er twaalfduizend verzegeld. Uit de stam van Nafthali waren er twaalfduizend verzegeld. Uit de stam van Manasse waren er twaalfduizend verzegeld.
7Uit de stam van Simeon waren er twaalfduizend verzegeld. Uit de stam van Levi waren er twaalfduizend verzegeld. Uit de stam van Issaschar waren er twaalfduizend verzegeld.
8Van de stam Zebulon werden twaalfduizend verzegeld. Van de stam Jozef werden twaalfduizend verzegeld. Van de stam Benjamin werden twaalfduizend verzegeld.
9Hierna zag ik, en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle volken en stammen en naties en talen, stond voor de troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden, met palmtakken in hun handen;
10En zij riepen met luide stem: Zaligheid aan onze God, Die op de troon zit, en aan het Lam.
En alle engelen stonden rondom de troon, en rondom de oudsten en de vier wezens, en zij vielen voor de troon neer op hun aangezicht en aanbaden God,
Zeggende: Amen. Lofprijzing en heerlijkheid en wijsheid en dankzegging en eer en kracht en sterkte zij aan onze God tot in alle eeuwigheid. Amen.
13En een van de oudsten antwoordde en zeide tot mij: Wie zijn dezen, die gekleed zijn in witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen?
14En ik zeide tot hem: Heer, u weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn zij die uit de grote verdrukking gekomen zijn, en zij hebben hun gewaden gewassen en hebben die wit gemaakt in het bloed van het Lam.
15Daarom zijn zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit, zal onder hen wonen.
16Zij zullen geen honger meer lijden, noch dorst meer lijden; ook zal de zon niet op hen neerschijnen, noch enige hitte.