Psalmen 140:8
“Geef de goddeloze, o HEER, zijn begeerte niet; bevorder zijn boze aanslag niet, opdat zij zich niet zouden verheffen. Sela.”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 140 — omringende verzen
Zij scherpen hun tong als een slang; adderengif is onder hun lippen. Sela.
4Behoed mij, o HEER, voor de handen van de goddeloze; behoed mij voor de man van gewelddaden, die mijn gangen trachten te doen struikelen.
5De hoogmoedigen hebben voor mij een strik verborgen, en touwen; zij hebben een net gespreid langs de weg; zij hebben voor mij valstrikken gezet. Sela.
6Ik heb tot de HEER gezegd: Gij zijt mijn God; HEER, neem ter ore de stem van mijn smekingen.
7O HEERE Heer, Kracht van mijn heil, Gij hebt mijn hoofd bedekt op de dag van de strijd.
Geef de goddeloze, o HEER, zijn begeerte niet; bevorder zijn boze aanslag niet, opdat zij zich niet zouden verheffen. Sela.
Laat wat betreft het hoofd van degenen die mij omringen, de moeite van hun lippen hen bedekken.
10Laat gloeiende kolen op hen vallen; laat hen in het vuur geworpen worden, in diepe kuilen, zodat zij niet weder opstaan.
11Laat de lasteraar niet bevestigd worden op aarde; het kwaad zal de man van geweld jagen tot neerwerping.
12Ik weet dat de HEER de zaak van de verdrukte zal handhaven, en het recht van de armen.
13Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.