Terug naar Richteren 1
VSV
Statenvertaling

Richteren 1:29

En Efraïm verdreef de Kanaänieten niet die in Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in Gezer onder hen.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 1 — omringende verzen

24

En de verspieders zagen een man uit de stad gaan, en zij zeiden tot hem: Toon ons toch de ingang van de stad, en wij zullen barmhartigheid aan u bewijzen.

25

En toen hij hen de ingang van de stad getoond had, sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar zij lieten de man en zijn gehele familie gaan.

26

En de man ging naar het land der Hethieten, bouwde een stad en noemde die Luz; en dat is de naam ervan tot op deze dag.

27

En Manasse verdreef de inwoners van Beth-Sean en haar dorpen niet, noch Taänach en haar dorpen, noch de inwoners van Dor en haar dorpen, noch de inwoners van Jibleam en haar dorpen, noch de inwoners van Megiddo en haar dorpen; maar de Kanaänieten bleven wonen in dat land.

28

En het geschiedde, toen Israël sterk was, dat zij de Kanaänieten onder schatting stelden, maar hen niet geheel verdreven.

29

En Efraïm verdreef de Kanaänieten niet die in Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in Gezer onder hen.

30

En Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaänieten woonden onder hen en werden schatplichtig.

31

En Aser verdreef de inwoners van Akko niet, noch de inwoners van Sidon, noch van Ahlab, noch van Achzib, noch van Helba, noch van Afik, noch van Rehob.

32

Maar de Aserieten woonden onder de Kanaänieten, de inwoners van het land; want zij verdreven hen niet.

33

En Naftali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anat; maar hij woonde onder de Kanaänieten, de inwoners van het land; en de inwoners van Beth-Semes en van Beth-Anat werden hun schatplichtig.

34

En de Amorieten drongen de kinderen van Dan het gebergte in, want zij lieten hen niet toe in het laagland te komen.