Terug naar Richteren 10
VSV
Statenvertaling

Richteren 10:8

En in dat jaar verdrukten en verdrukten zij de kinderen Israëls achttien jaar lang, alle kinderen Israëls die aan de overzijde van de Jordaan woonden, in het land der Amorieten, dat in Gilead is.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 10 — omringende verzen

3

Na hem stond Jaïr op, een Gileadiet, en hij richtte Israël twee en twintig jaar.

4

Hij had dertig zonen die op dertig jonge ezels reden, en zij hadden dertig steden, die tot op deze dag Havot-Jaïr worden genoemd, en die in het land Gilead liggen.

5

En Jaïr stierf en werd begraven in Kamon.

6

En de kinderen Israëls deden opnieuw wat kwaad was in de ogen des HEREN; zij dienden de Baäls en de Astartes, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen van Ammon, en de goden der Filistijnen; en zij verlieten de HEER en dienden Hem niet.

7

En de toorn des HEREN ontbrandde tegen Israël, en Hij verkocht hen in de handen der Filistijnen en in de handen der kinderen van Ammon.

8

En in dat jaar verdrukten en verdrukten zij de kinderen Israëls achttien jaar lang, alle kinderen Israëls die aan de overzijde van de Jordaan woonden, in het land der Amorieten, dat in Gilead is.

9

Bovendien trokken de kinderen van Ammon over de Jordaan om ook tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm te strijden; zodat Israël zeer benauwd werd.

10

En de kinderen Israëls riepen tot de HEER en zeiden: Wij hebben gezondigd tegen U, want wij hebben onze God verlaten en ook de Baäls gediend.

11

En de HEER zei tot de kinderen Israëls: Heb Ik u niet verlost van de Egyptenaren, en van de Amorieten, van de kinderen van Ammon, en van de Filistijnen?

12

Ook de Sidoniërs, en de Amalekieten, en de Maonieten hebben u verdrukt; en gij riept tot Mij, en Ik verloste u uit hun hand.

13

Toch hebt gij Mij verlaten en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen.