Terug naar Richteren 19
VSV
Statenvertaling

Richteren 19:18

En hij zeide tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-Juda naar de zijde van het gebergte van Efraïm; van daar ben ik afkomstig; en ik ben naar Bethlehem-Juda gegaan, maar ik ga nu naar het huis van de HEER; en er is niemand die mij in huis opneemt.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 19 — omringende verzen

13

En hij zeide tot zijn knecht: Kom, laat ons naar een van deze plaatsen naderen om de nacht door te brengen, in Gibea of in Rama.

14

En zij trokken verder en gingen hun weg; en de zon ging over hen onder toen zij bij Gibea waren, dat aan Benjamin behoort.

15

En zij weken daarheen af om naar binnen te gaan en in Gibea te overnachten; en hij ging naar binnen en zat neer op een plein der stad; want er was niemand die hen in zijn huis opnam tot een nachtverblijf.

16

En zie, er kwam een oud man van zijn werk van het veld in de avond; en hij was ook van het gebergte van Efraïm en verbleef te Gibea; maar de mannen van de plaats waren Benjaminieten.

17

En toen hij zijn ogen ophief, zag hij een reiziger op het plein der stad; en de oude man zeide: Waar gaat u heen, en vanwaar komt u?

18

En hij zeide tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-Juda naar de zijde van het gebergte van Efraïm; van daar ben ik afkomstig; en ik ben naar Bethlehem-Juda gegaan, maar ik ga nu naar het huis van de HEER; en er is niemand die mij in huis opneemt.

19

Nochtans is er zowel stro als voeder voor onze ezels; en er is ook brood en wijn voor mij en voor uw dienstmaagd en voor de jongeman die bij uw knechten is; er is geen gebrek aan enig ding.

20

En de oude man zeide: Vrede zij u; al uw benodigdheden zullen op mij zijn; alleen, overnacht niet op het plein.

21

Zo bracht hij hem in zijn huis en gaf voeder aan de ezels; en zij wasten hun voeten en aten en dronken.

22

Nu, terwijl zij hun hart vrolijk maakten, zie, kwamen de mannen der stad, zekere zonen van Belial, het huis rondom en klopten op de deur, en spraken tot de heer des huizes, de oude man, zeggende: Breng de man naar buiten die in uw huis gekomen is, opdat wij hem mogen kennen.

23

En de man, de heer des huizes, ging tot hen naar buiten en zeide tot hen: Neen, mijn broeders, neen, ik bid u, doet niet zo kwaad; nadat deze man in mijn huis is gekomen, doet deze dwaasheid niet.