Richteren 20:8
“En al het volk stond op als één man, en zeide: Niemand van ons zal naar zijn tent gaan, en niemand van ons zal naar zijn huis keren.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 20 — omringende verzen
(Nu hoorden de kinderen van Benjamin dat de kinderen Israëls opgetrokken waren naar Mizpa.) Toen zeiden de kinderen Israëls: Vertel ons, hoe is dit kwaad geschied?
4En de Leviet, de man van de vrouw die gedood was, antwoordde en zei: Ik kwam te Gibea, dat aan Benjamin behoort, ik en mijn bijvrouw, om te overnachten.
5En de mannen van Gibea stonden tegen mij op, en omsingelden het huis rondom mij in de nacht, en waren van zins mij te doden; en mijn bijvrouw hebben zij verkracht, zodat zij gestorven is.
6En ik nam mijn bijvrouw, en sneed haar in stukken, en zond haar door heel het land van de erfenis van Israël; want zij hebben schandelijkheid en dwaasheid bedreven in Israël.
7Zie, gij zijt allen kinderen Israëls; geeft hier uw raad en overleg.
En al het volk stond op als één man, en zeide: Niemand van ons zal naar zijn tent gaan, en niemand van ons zal naar zijn huis keren.
Maar dit is nu de zaak die wij zullen doen met Gibea: wij zullen er door het lot tegen optrekken;
10En wij zullen tien man nemen van honderd uit alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om proviand te halen voor het volk, opdat zij doen zullen, wanneer zij te Gibea van Benjamin komen, naar alle dwaasheid die zij in Israël bedreven hebben.
11Zo werden alle mannen van Israël samengebracht tegen de stad, als één man samengebonden.
12En de stammen van Israël zonden mannen door de gehele stam van Benjamin, zeggende: Welk kwaad is dit dat onder u geschied is?
13Lever ons nu de mannen, de kinderen van Belial, die te Gibea zijn, opdat wij hen ter dood brengen en het kwaad uit Israël wegdoen. Maar de kinderen van Benjamin wilden niet luisteren naar de stem van hun broederen, de kinderen Israëls.