Richteren 9:51
“Maar er was een sterke toren in de stad, en daarheen vluchtten alle mannen en vrouwen en al de stedelingen, en zij sloten zich daarin op en klommen op het dak van de toren.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 9 — omringende verzen
En toen al de mannen van de toren van Sichem dit hoorden, gingen zij in de sterkte van het huis van de god Berith.
47En men berichtte aan Abimelech, dat alle mannen van de toren van Sichem bijeengekomen waren.
48En Abimelech klom op de berg Zalmon, hij en al het volk dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam die op zijn schouder, en zeide tot het volk dat met hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u en doe als ik gedaan heb.
49En al het volk hieuw evenzo een ieder zijn tak, en volgden Abimelech, en legden ze aan de sterkte, en staken de sterkte in brand over hen; zodat ook alle mannen van de toren van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen.
50Daarna ging Abimelech naar Tebez, en hij belegerde Tebez en nam het in.
Maar er was een sterke toren in de stad, en daarheen vluchtten alle mannen en vrouwen en al de stedelingen, en zij sloten zich daarin op en klommen op het dak van de toren.
En Abimelech naderde tot de toren en bestreed die, en hij drong aan tot aan de deur van de toren om die met vuur te verbranden.
53En een zekere vrouw wierp een stuk van een molensteen op het hoofd van Abimelech en verbrijzelde zijn schedel.
54Toen riep hij haastig zijn jonge wapendrager toe en zeide tot hem: Trek uw zwaard en doorsteek mij, opdat men niet van mij zegge: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongeman doorstak hem, en hij stierf.
55En toen de mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was, vertrok een ieder naar zijn plaats.
56Zo vergold God Abimelech de boosheid die hij zijn vader had aangedaan, door zijn zeventig broeders te doden.