Ruth 3:15
“Ook zeide hij: Geef de doek die gij op hebt en houd die vast. En toen zij die vasthield, mat hij zes maten gerst af en legde die op haar; en zij ging de stad in.”
Kruisverwijzingen
Context
Ruth 3 — omringende verzen
En hij zeide: Gezegend zijt gij van de HEER, mijn dochter; want deze laatste goedertierenheid is groter dan de eerste, doordat gij geen jonge mannen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.
11En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij verzoekt zal ik voor u doen; want de gehele stad van mijn volk weet dat gij een deugdzame vrouw zijt.
12En nu is het waar dat ik een losser ben; doch er is een losser die nader verwant is dan ik.
13Overnacht deze nacht, en het zal geschieden des morgens, dat indien hij u als losser wil lossen, welaan, laat hij lossen; maar indien het hem niet behaagt u te lossen, dan zal ik u lossen, zo waarlijk als de HEER leeft; leg u neer tot de morgen.
14En zij lag aan zijn voeten tot de morgen; en zij stond op voordat iemand de ander kon herkennen. En hij zeide: Laat het niet bekend worden dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.
Ook zeide hij: Geef de doek die gij op hebt en houd die vast. En toen zij die vasthield, mat hij zes maten gerst af en legde die op haar; en zij ging de stad in.
En toen zij bij haar schoonmoeder kwam, vroeg deze: Wie zijt gij, mijn dochter? En zij vertelde haar alles wat de man haar gedaan had.
17En zij zei: Deze zes maten gerst gaf hij mij; want hij zei tot mij: Ga niet met lege handen naar uw schoonmoeder.
18Toen zei zij: Blijf stil zitten, mijn dochter, totdat gij weet hoe de zaak zal vallen; want de man zal niet rusten, totdat hij de zaak vandaag nog heeft afgedaan.