Zacharia 2:8
“Want zo zegt de HEER der heerscharen: Na de heerlijkheid heeft Hij mij gezonden tot de volken die u beroofd hebben; want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.”
Kruisverwijzingen
Context
Zacharia 2 — omringende verzen
En zie, de engel die met mij sprak ging uit, en een andere engel ging hem tegemoet,
4En zeide tot hem: Loop, spreek tot die jonge man en zeg: Jeruzalem zal bewoond worden als open vlekken, vanwege de menigte van mensen en vee daarin.
5Want Ik, zegt de HEER, zal haar een vurige muur rondom zijn, en Ik zal de heerlijkheid in haar midden zijn.
6Ho, ho, komt voort en vlucht uit het land van het noorden, zegt de HEER; want Ik heb u uitgespreid als de vier winden des hemels, zegt de HEER.
7Red uzelf, o Sion, gij die woont bij de dochter van Babel.
Want zo zegt de HEER der heerscharen: Na de heerlijkheid heeft Hij mij gezonden tot de volken die u beroofd hebben; want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.
Want zie, Ik zal Mijn hand over hen bewegen, en zij zullen hun knechten tot een buit zijn; en gij zult weten dat de HEER der heerscharen mij gezonden heeft.
10Zing en verheug u, o dochter van Sion; want zie, Ik kom en zal in uw midden wonen, zegt de HEER.
11En vele volken zullen zich op die dag bij de HEER voegen en zullen Mijn volk zijn; en Ik zal in uw midden wonen, en gij zult weten dat de HEER der heerscharen mij tot u gezonden heeft.
12En de HEER zal Juda als Zijn erfdeel in het heilige land bezitten, en zal Jeruzalem weder verkiezen.
13Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht van de HEER; want Hij is opgewekt uit Zijn heilige woning.