Zacharia 8:13
“En het zal geschieden dat, zoals gij een vloek geweest zijt onder de heidenen, o huis van Juda en huis van Israël, zo zal Ik u verlossen en gij zult een zegen zijn; vreest niet, maar laat uw handen sterk zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Zacharia 8 — omringende verzen
En Ik zal hen brengen, en zij zullen wonen in het midden van Jeruzalem; en zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.
9Zo zegt de HEER der heerscharen: Laat uw handen sterk zijn, gij die in deze dagen deze woorden hoort uit de mond van de profeten die er waren op de dag dat het fundament van het huis des HEREN der heerscharen gelegd werd, opdat de tempel gebouwd zou worden.
10Want vóór deze dagen was er geen loon voor de mens, noch enig loon voor het vee; noch was er vrede voor hem die uitging of inkwam vanwege de benauwdheid; want Ik zette alle mensen, ieder tegen zijn naaste.
11Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk niet zijn zoals in de vorige dagen, spreekt de HEER der heerscharen.
12Want het zaad zal voorspoedig zijn; de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar opbrengst geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel van dit volk al deze dingen doen bezitten.
En het zal geschieden dat, zoals gij een vloek geweest zijt onder de heidenen, o huis van Juda en huis van Israël, zo zal Ik u verlossen en gij zult een zegen zijn; vreest niet, maar laat uw handen sterk zijn.
Want zo zegt de HEER der heerscharen: Zoals Ik voorgenomen had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij tergen tot toorn, spreekt de HEER der heerscharen, en het Mij niet berouwde;
15Zo heb Ik wederom voorgenomen in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda; vreest niet.
16Dit zijn de zaken die gij doen zult: Spreekt ieder de waarheid met zijn naaste; oefent het oordeel der waarheid en des vredes in uw poorten;
17En bedenkt niemand van u kwaad in uw hart tegen zijn naaste; en hebt geen valse eed lief; want al deze dingen haat Ik, spreekt de HEER.
18En het woord des HEREN der heerscharen kwam tot mij, zeggende: