Psalmen 141
HEER, ik roep tot U, haast U tot mij; neem ter ore mijn stem, wanneer ik tot U roep.
Laat mijn gebed voor Uw aangezicht gesteld worden als reukwerk; de opheffing van mijn handen als het avondoffer.
Stel, o HEER, een wacht voor mijn mond; bewaar de deur van mijn lippen.
Neig mijn hart niet tot enig kwaad, om goddeloze werken te bedrijven met mensen die ongerechtigheid doen; en laat mij niet eten van hun lekkernijen.
Laat de rechtvaardige mij slaan, het zal een weldaad zijn; en laat hij mij berispen, het zal als uitnemende olie zijn, die mijn hoofd niet zal breken; want nog steeds zal ook mijn gebed zijn in hun rampen.
Wanneer hun rechters omvergeworpen worden op rotsachtige plaatsen, zullen zij mijn woorden horen, want zij zijn zoet.
Onze beenderen zijn verstrooid aan de rand van het graf, zoals wanneer iemand hout klooft en splijt op de aarde.
Maar mijn ogen zijn op U, o HERE God; op U stel ik mijn vertrouwen; laat mijn ziel niet verlaten zijn.
Bewaar mij voor de strikken die zij voor mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
Laat de goddelozen vallen in hun eigen netten, terwijl ik ontkome.
10 verzen
Statenvertaling