Psalmen 28
Tot U roep ik, o HEER, mijn rots; zwijg mij niet toe: opdat ik, als U mij zwijgen zoudt, niet word gelijk aan hen die in de kuil nederdalen.
Hoor de stem van mijn smeekbeden, wanneer ik tot U roep, wanneer ik mijn handen ophef naar Uw heilig heiligdom.
Sleep mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die vrede spreken tot hun naasten, maar in hun hart kwaad is.
Geef hun naar hun daden, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar het werk van hun handen; vergeld hun naar hun verdienste.
Omdat zij geen acht slaan op de werken van de HEER, noch op de werking van Zijn handen, zal Hij hen verwoesten en niet opbouwen.
Geloofd zij de HEER, want Hij heeft de stem van mijn smeekbeden gehoord.
De HEER is mijn kracht en mijn schild; mijn hart vertrouwde op Hem, en ik ben geholpen; daarom jubelt mijn hart van vreugde, en met mijn lied zal ik Hem loven.
De HEER is hun kracht, en Hij is de reddende kracht van Zijn gezalfde.
Verlos Uw volk, en zegen Uw erfdeel; weid hen ook, en draag hen op voor altijd.
9 verzen
Statenvertaling