Psalmen 30
Ik zal U verheffen, o HEER, want U hebt mij opgeheven, en mijn vijanden niet over mij laten juichen.
O HEER mijn God, ik riep tot U, en U hebt mij genezen.
O HEER, U hebt mijn ziel opgebracht uit het graf; U hebt mij in het leven bewaard, opdat ik niet in de kuil nederdaalde.
Zingt voor de HEER, o gij Zijn gunstelingen, en looft de gedachtenis van Zijn heiligheid.
Want Zijn toorn duurt slechts een ogenblik; in Zijn gunst is het leven; des avonds mag er geween vernachten, maar des morgens is er gejuich.
En in mijn voorspoed zeide ik: Ik zal nimmer wankelen.
HEER, door Uw gunst hebt U mijn berg vast doen staan; toen U Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt.
Tot U riep ik, o HEER; en tot de HEER deed ik mijn smeekbede.
Wat gewin is er in mijn bloed, wanneer ik in de kuil nederdaal? Zal het stof U loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
Hoor, o HEER, en wees mij genadig; HEER, wees Gij mijn helper.
U hebt mijn rouwklacht veranderd in een dans; U hebt mijn rouwgewaad afgedaan, en mij met blijdschap omgord;
Opdat mijn eer U lofzinge en niet zwijge. O HEER mijn God, ik zal U voor eeuwig danken.
12 verzen
Statenvertaling