Psalmen 36
De overtreding van de goddeloze spreekt in mijn hart: er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
Want hij vleit zichzelf in zijn eigen ogen, totdat zijn ongerechtigheid hatelijk gevonden wordt.
De woorden van zijn mond zijn ongerechtigheid en bedrog; hij heeft nagelaten wijs te zijn en goed te doen.
Hij bedenkt onheil op zijn bed; hij stelt zich op een weg die niet goed is; hij verafschuwt het kwade niet.
Uw goedertierenheid, o HEER, reikt tot in de hemelen, en Uw trouw tot de wolken.
Uw gerechtigheid is als de grote bergen; Uw oordelen zijn een grote diepte; o HEER, U behoudt mens en dier.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom schuilen de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen.
Zij worden overvloedig verzadigd met het vet van Uw huis, en U doet hen drinken uit de stroom van Uw wellusten.
Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
Zet Uw goedertierenheid voort over hen die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
Laat de voet van trots niet tegen mij komen, en laat de hand van de goddelozen mij niet verdrijven.
Daar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergeworpen en zullen niet kunnen opstaan.
12 verzen
Statenvertaling