BijbelPsalmenHoofdstuk 39

Psalmen 39

VorigeVolgende
Statenvertaling · VSV
1

Ik zeide: Ik zal acht geven op mijn wegen, opdat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond bewaren met een breidel, zolang de goddeloze voor mij is.

2

Ik was stom van stilzwijgen, ik hield mij in, zelfs van het goede; en mijn smart werd opgewekt.

3

Mijn hart was heet in mij, terwijl ik overdacht, ontbrandde het vuur; toen sprak ik met mijn tong.

4

HEER, doe mij mijn einde kennen, en de maat van mijn dagen, wat die is; opdat ik wete hoe vergankelijk ik ben.

5

Zie, U hebt mijn dagen als een handbreed gesteld, en mijn levensduur is als niets voor U; waarlijk, ieder mens is in zijn beste staat volkomen ijdelheid. Sela.

6

Waarlijk, ieder mens wandelt als een schim; waarlijk, zij worden om niet onrustig; hij hoopt rijkdommen op, en weet niet wie ze zal vergaderen.

7

En nu, Heer, wat verwacht ik? Mijn hoop is op U.

8

Bevrijd mij van al mijn overtredingen; stel mij niet tot een smaad van de dwaas.

9

Ik was stom, ik opende mijn mond niet; want U hebt het gedaan.

10

Neem Uw plaag van mij weg; ik ben verteerd door de slag van Uw hand.

11

Wanneer U met bestraffingen de mens tuchtigt vanwege zijn ongerechtigheid, doet U zijn schoonheid als door een mot vergaan; waarlijk, ieder mens is ijdelheid. Sela.

12

Hoor mijn gebed, o HEER, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet bij mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaderen.

13

Spaar mij, opdat ik krachten moge hernemen, voordat ik van hier wegga, en er niet meer zal zijn.

13 verzen

Statenvertaling

VorigeVolgende