Psalmen 58
Spreekt gij werkelijk gerechtigheid, o vergadering? Oordeelt gij rechtvaardig, o gij mensenkinderen?
Ja, in het hart werkt gij goddeloosheid; gij weegt het geweld van uw handen op de aarde.
De goddelozen zijn vervreemd van de moederschoot af; zij dwalen af van de baarmoeder af en spreken leugens.
Hun venijn is als het venijn van een slang; zij zijn als een dove adder die haar oor stopt,
Die niet hoort naar de stem van de belezers, van de bezweerder die behendig bezweert.
O God, verbreek hun tanden in hun mond; breek de kiezen van de jonge leeuwen uit, o HEER.
Laat hen versmelten als water dat heenvloeit; wanneer hij zijn pijlen spant, laat hen zijn alsof zij zijn afgehouwen.
Laat hen zijn als een slak die smelt terwijl hij voortgaat; laat hen zijn als een misdracht van een vrouw, opdat zij de zon niet zien.
Voordat uw potten de doornen voelen, zal Hij hen wegnemen als met een wervelwind, zowel levend als in Zijn toorn.
De rechtvaardige zal zich verblijden wanneer hij de wraak ziet; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
Zodat een mens zal zeggen: Voorwaar, er is loon voor de rechtvaardige; voorwaar, Hij is een God Die op de aarde oordeelt.
11 verzen
Statenvertaling