Terug naar 1 Koningen 1
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 1:44

En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Keretieten en de Peletieten, en zij hebben hem laten rijden op het muildier van de koning.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 1 — omringende verzen

39

En Zadok, de priester, nam een hoorn met olie uit de tabernakel en zalfde Salomo. En zij bliezen op de bazuin, en heel het volk zei: Leve koning Salomo!

40

En al het volk trok na hem op, en het volk blies op fluiten en verheugde zich met grote vreugde, zodat de aarde scheurde van hun geluid.

41

En Adonia en al zijn gasten die bij hem waren, hoorden het, toen zij opgehouden hadden met eten. En toen Joab het geluid van de bazuin hoorde, zei hij: Waarom is er zulk een rumoer in de stad?

42

En terwijl hij nog sprak, zie, Jonathan, de zoon van Abiathar, de priester, kwam; en Adonia zei tot hem: Kom binnen; want gij zijt een dapper man en brengt goede tijding.

43

En Jonathan antwoordde en zei tot Adonia: Voorwaar, onze heer, koning David, heeft Salomo koning gemaakt.

44

En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Keretieten en de Peletieten, en zij hebben hem laten rijden op het muildier van de koning.

45

En Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, hebben hem tot koning gezalfd in Gihon; en zij zijn vandaar opgetrokken met vreugde, zodat de stad in rep en roer was. Dit is het rumoer dat gij gehoord hebt.

46

En bovendien zit Salomo op de koninklijke troon.

47

En ook kwamen de dienaren van de koning om onze heer, koning David, te zegenen en te zeggen: Moge God de naam van Salomo beter maken dan uw naam, en zijn troon groter maken dan uw troon. En de koning boog zich neer op het bed.

48

En ook sprak de koning aldus: Geloofd zij de HEER, de God van Israël, die heden iemand gegeven heeft om op mijn troon te zitten, terwijl mijn ogen het zien.

49

En al de gasten die bij Adonia waren, werden bevreesd, en zij stonden op en gingen ieder zijns weegs.