Terug naar 1 Koningen 14
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 14:13

En geheel Israël zal over hem rouwen en hem begraven; want hij alleen van Jerobeam zal tot het graf komen, omdat in hem iets goeds gevonden is jegens de HEER, de God van Israël, in het huis van Jerobeam.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 14 — omringende verzen

8

en het koninkrijk van het huis van David gescheurd en het u gegeven heb — en gij toch niet geweest zijt als mijn knecht David, die mijn geboden bewaard heeft, en mij gevolgd is met zijn ganse hart, doende alleen wat recht was in mijn ogen —

9

maar u erger gedragen hebt dan allen die vóór u waren; want gij zijt heengegaan en hebt u andere goden gemaakt, en gegoten beelden, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen —

10

daarom zie, Ik zal onheil brengen over het huis van Jerobeam, en Ik zal van Jerobeam uitroeien al wat mannelijk is, en wat opgesloten en vrijgelaten is in Israël; en Ik zal het overblijfsel van het huis van Jerobeam wegvagen, zoals men mest wegvaagt, totdat het geheel verdwenen is.

11

Wie van Jerobeam in de stad sterft, die zullen de honden eten; en wie op het veld sterft, die zullen de vogels des hemels eten; want de HEER heeft het gesproken.

12

Sta dan op, ga naar uw huis; en wanneer uw voeten de stad binnengaan, zal het kind sterven.

13

En geheel Israël zal over hem rouwen en hem begraven; want hij alleen van Jerobeam zal tot het graf komen, omdat in hem iets goeds gevonden is jegens de HEER, de God van Israël, in het huis van Jerobeam.

14

Bovendien zal de HEER Zich een koning over Israël verwekken, die het huis van Jeroboam op die dag zal uitroeien. Maar wat? Reeds nu.

15

Want de HEER zal Israël slaan, zoals een riet in het water bewogen wordt; en Hij zal Israël uitrukken uit dit goede land dat Hij aan hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien aan gene zijde van de rivier, omdat zij hun gewijde palen gemaakt hebben en de HEER tot toorn verwekt hebben.

16

En Hij zal Israël overgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en Israël deed zondigen.

17

En de vrouw van Jerobeam stond op, en vertrok, en kwam te Tirza; en toen zij over de drempel der deur stapte, stierf het kind.

18

En zij begroeven hem; en geheel Israël rouwde over hem, overeenkomstig het woord van de HEER, dat Hij gesproken had door de hand van zijn knecht Ahija de profeet.