1 Koningen 14:8
“en het koninkrijk van het huis van David gescheurd en het u gegeven heb — en gij toch niet geweest zijt als mijn knecht David, die mijn geboden bewaard heeft, en mij gevolgd is met zijn ganse hart, doende alleen wat recht was in mijn ogen —”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 14 — omringende verzen
En neem tien broden mede, en beschuiten, en een kruik honing, en ga tot hem; hij zal u zeggen wat er met het kind zal geschieden.
4En de vrouw van Jerobeam deed zo, en stond op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahija. Maar Ahija kon niet zien, want zijn ogen stonden stil vanwege zijn ouderdom.
5En de HEER had tot Ahija gezegd: Zie, de vrouw van Jerobeam komt om een zaak bij u te vragen voor haar zoon, want hij is ziek. Zo en zo zult gij tot haar zeggen; want het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich zal voordoen als een andere vrouw.
6En het geschiedde, toen Ahija het geluid van haar voeten hoorde, terwijl zij door de deur binnenkwam, dat hij zeide: Kom binnen, gij vrouw van Jerobeam; waarom doet gij u voor als een andere? Want ik ben tot u gezonden met zware tijding.
7Ga, zeg Jerobeam: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Omdat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een vorst over mijn volk Israël gesteld heb,
en het koninkrijk van het huis van David gescheurd en het u gegeven heb — en gij toch niet geweest zijt als mijn knecht David, die mijn geboden bewaard heeft, en mij gevolgd is met zijn ganse hart, doende alleen wat recht was in mijn ogen —
maar u erger gedragen hebt dan allen die vóór u waren; want gij zijt heengegaan en hebt u andere goden gemaakt, en gegoten beelden, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen —
10daarom zie, Ik zal onheil brengen over het huis van Jerobeam, en Ik zal van Jerobeam uitroeien al wat mannelijk is, en wat opgesloten en vrijgelaten is in Israël; en Ik zal het overblijfsel van het huis van Jerobeam wegvagen, zoals men mest wegvaagt, totdat het geheel verdwenen is.
11Wie van Jerobeam in de stad sterft, die zullen de honden eten; en wie op het veld sterft, die zullen de vogels des hemels eten; want de HEER heeft het gesproken.
12Sta dan op, ga naar uw huis; en wanneer uw voeten de stad binnengaan, zal het kind sterven.
13En geheel Israël zal over hem rouwen en hem begraven; want hij alleen van Jerobeam zal tot het graf komen, omdat in hem iets goeds gevonden is jegens de HEER, de God van Israël, in het huis van Jerobeam.