1 Koningen 14:19
“Het overige nu der geschiedenis van Jerobeam, hoe hij gestreden heeft en hoe hij geregeerd heeft, zie, dat is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 14 — omringende verzen
Bovendien zal de HEER Zich een koning over Israël verwekken, die het huis van Jeroboam op die dag zal uitroeien. Maar wat? Reeds nu.
15Want de HEER zal Israël slaan, zoals een riet in het water bewogen wordt; en Hij zal Israël uitrukken uit dit goede land dat Hij aan hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien aan gene zijde van de rivier, omdat zij hun gewijde palen gemaakt hebben en de HEER tot toorn verwekt hebben.
16En Hij zal Israël overgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en Israël deed zondigen.
17En de vrouw van Jerobeam stond op, en vertrok, en kwam te Tirza; en toen zij over de drempel der deur stapte, stierf het kind.
18En zij begroeven hem; en geheel Israël rouwde over hem, overeenkomstig het woord van de HEER, dat Hij gesproken had door de hand van zijn knecht Ahija de profeet.
Het overige nu der geschiedenis van Jerobeam, hoe hij gestreden heeft en hoe hij geregeerd heeft, zie, dat is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
En de dagen die Jerobeam regeerde waren twee en twintig jaar; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
21En Rehabeam, de zoon van Salomo, regeerde over Juda. Rehabeam was één en veertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, de stad die de HEER uit alle stammen van Israël uitverkoren had om Zijn naam daar te vestigen. En de naam zijner moeder was Naäma, de Ammonietische.
22En Juda deed wat kwaad was in de ogen van de HEER; en zij verwekten Hem tot ijverzucht door hun zonden die zij bedreven hadden, meer dan alles wat hun vaderen gedaan hadden.
23Want zij bouwden ook voor zichzelf offerplaatsen en gewijde stenen en gewijde palen op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom.
24En er waren ook tempelhoeren in het land; zij handelden naar alle gruwelen der volken die de HEER voor de kinderen Israëls verdreven had.