Terug naar 1 Koningen 16
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 16:13

Vanwege al de zonden van Baësa en de zonden van zijn zoon Ela, die zij bedreven hadden en waarmee zij Israël tot zonde hadden verleid, om de HEER, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun ijdelheden.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 16 — omringende verzen

8

In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, begon Ela, de zoon van Baësa, over Israël te regeren in Tirza, twee jaar.

9

En zijn dienaar Zimri, de aanvoerder van de helft van zijn strijdwagens, spande tegen hem samen, terwijl hij in Tirza was en zich dronken dronk in het huis van Arza, de hofmeester van zijn huis in Tirza.

10

En Zimri trad binnen en sloeg hem en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, en regeerde in zijn plaats.

11

En het geschiedde, toen hij zijn regering begon, zodra hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa versloeg; hij liet hem niemand over die aan de muur waatert, noch van zijn bloedverwanten, noch van zijn vrienden.

12

Zo vernietigde Zimri het gehele huis van Baësa, overeenkomstig het woord van de HEER, dat Hij tegen Baësa gesproken had door de profeet Jehu,

13

Vanwege al de zonden van Baësa en de zonden van zijn zoon Ela, die zij bedreven hadden en waarmee zij Israël tot zonde hadden verleid, om de HEER, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun ijdelheden.

14

Het overige nu van de daden van Ela, en alles wat hij deed, is dat niet beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?

15

In het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen in Tirza. En het volk lag gelegerd tegen Gibbethon, dat aan de Filistijnen behoorde.

16

En het volk dat gelegerd lag, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gesmeed en heeft ook de koning gedood; daarom maakte geheel Israël Omri, de legeroverste, die dag in het kamp tot koning over Israël.

17

En Omri trok op van Gibbethon, en geheel Israël met hem, en zij belegerden Tirza.

18

En het geschiedde, toen Zimri zag dat de stad ingenomen was, dat hij het paleis van het huis des konings binnenging en het huis des konings over zich in brand stak, en stierf.