Terug naar 1 Koningen 16
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 16:8

In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, begon Ela, de zoon van Baësa, over Israël te regeren in Tirza, twee jaar.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 16 — omringende verzen

3

Zie, Ik zal het nageslacht van Baësa wegnemen en het nageslacht van zijn huis; en Ik zal uw huis maken als het huis van Jeroboam, de zoon van Nebat.

4

Wie van Baësa in de stad sterft, zullen de honden eten; en wie van hem op het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.

5

Het overige nu van de daden van Baësa, en wat hij deed, en zijn macht, zijn die niet beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?

6

En Baësa ontsliep bij zijn vaderen en werd begraven in Tirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.

7

En ook door de hand van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, kwam het woord van de HEER tegen Baësa en tegen zijn huis, vanwege al het kwaad dat hij gedaan had in de ogen van de HEER, door hem tot toorn te verwekken met het werk zijner handen, zodat hij was als het huis van Jeroboam; en omdat hij hem gedood had.

8

In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, begon Ela, de zoon van Baësa, over Israël te regeren in Tirza, twee jaar.

9

En zijn dienaar Zimri, de aanvoerder van de helft van zijn strijdwagens, spande tegen hem samen, terwijl hij in Tirza was en zich dronken dronk in het huis van Arza, de hofmeester van zijn huis in Tirza.

10

En Zimri trad binnen en sloeg hem en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, en regeerde in zijn plaats.

11

En het geschiedde, toen hij zijn regering begon, zodra hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa versloeg; hij liet hem niemand over die aan de muur waatert, noch van zijn bloedverwanten, noch van zijn vrienden.

12

Zo vernietigde Zimri het gehele huis van Baësa, overeenkomstig het woord van de HEER, dat Hij tegen Baësa gesproken had door de profeet Jehu,

13

Vanwege al de zonden van Baësa en de zonden van zijn zoon Ela, die zij bedreven hadden en waarmee zij Israël tot zonde hadden verleid, om de HEER, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun ijdelheden.