1 Koningen 2:44
“De koning zei voorts tot Simeï: Gij weet al de boosheid die uw hart zich bewust is, die gij mijn vader David hebt aangedaan; de HEER zal dan uw boosheid op uw eigen hoofd doen terugkeren;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 2 — omringende verzen
En het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men berichtte Simeï: Zie, uw dienaren zijn in Gath.
40En Simeï stond op, zadelde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn dienaren te zoeken; en Simeï ging en bracht zijn dienaren mee uit Gath.
41En aan Salomo werd bericht dat Simeï van Jeruzalem naar Gath gegaan en teruggekomen was.
42En de koning zond en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet doen zweren bij de HEER, en u dit betuigd, zeggende: Weet zeker dat op de dag dat gij uitgaat en ergens anders heen gaat, gij voorzeker sterven zult? En gij zeidet tot mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.
43Waarom hebt gij dan de eed des HEREN niet gehouden, en het gebod dat ik u had opgelegd?
De koning zei voorts tot Simeï: Gij weet al de boosheid die uw hart zich bewust is, die gij mijn vader David hebt aangedaan; de HEER zal dan uw boosheid op uw eigen hoofd doen terugkeren;
En koning Salomo zal gezegend zijn, en de troon van David zal voor eeuwig bevestigd zijn voor de HEER.
46Zo gebood de koning Benaja, de zoon van Jojada, die uitging en hem neersloeg, zodat hij stierf. En het koninkrijk was bevestigd in de hand van Salomo.