1 Koningen 2:39
“En het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men berichtte Simeï: Zie, uw dienaren zijn in Gath.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 2 — omringende verzen
En Benaja, de zoon van Jojada, trok op, en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn eigen huis in de woestijn.
35En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het heer; en Zadok de priester stelde de koning in de plaats van Abjathar.
36En de koning zond en riep Simeï en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem en woon daar, en ga van daar nergens heen.
37Want het zal geschieden, dat op de dag dat gij uitgaat en over de beek Kidron trekt, gij zeker weten zult dat gij voorzeker sterven zult; uw bloed zal op uw eigen hoofd zijn.
38En Simeï zei tot de koning: Het woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.
En het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men berichtte Simeï: Zie, uw dienaren zijn in Gath.
En Simeï stond op, zadelde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn dienaren te zoeken; en Simeï ging en bracht zijn dienaren mee uit Gath.
41En aan Salomo werd bericht dat Simeï van Jeruzalem naar Gath gegaan en teruggekomen was.
42En de koning zond en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet doen zweren bij de HEER, en u dit betuigd, zeggende: Weet zeker dat op de dag dat gij uitgaat en ergens anders heen gaat, gij voorzeker sterven zult? En gij zeidet tot mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.
43Waarom hebt gij dan de eed des HEREN niet gehouden, en het gebod dat ik u had opgelegd?
44De koning zei voorts tot Simeï: Gij weet al de boosheid die uw hart zich bewust is, die gij mijn vader David hebt aangedaan; de HEER zal dan uw boosheid op uw eigen hoofd doen terugkeren;