Terug naar 1 Koningen 2
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 2:38

En Simeï zei tot de koning: Het woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 2 — omringende verzen

33

Hun bloed zal dan terugkeren op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn nageslacht voor eeuwig; maar voor David en voor zijn nageslacht en voor zijn huis en voor zijn troon zal er vrede zijn voor eeuwig van de HEER.

34

En Benaja, de zoon van Jojada, trok op, en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn eigen huis in de woestijn.

35

En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het heer; en Zadok de priester stelde de koning in de plaats van Abjathar.

36

En de koning zond en riep Simeï en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem en woon daar, en ga van daar nergens heen.

37

Want het zal geschieden, dat op de dag dat gij uitgaat en over de beek Kidron trekt, gij zeker weten zult dat gij voorzeker sterven zult; uw bloed zal op uw eigen hoofd zijn.

38

En Simeï zei tot de koning: Het woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.

39

En het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men berichtte Simeï: Zie, uw dienaren zijn in Gath.

40

En Simeï stond op, zadelde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn dienaren te zoeken; en Simeï ging en bracht zijn dienaren mee uit Gath.

41

En aan Salomo werd bericht dat Simeï van Jeruzalem naar Gath gegaan en teruggekomen was.

42

En de koning zond en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet doen zweren bij de HEER, en u dit betuigd, zeggende: Weet zeker dat op de dag dat gij uitgaat en ergens anders heen gaat, gij voorzeker sterven zult? En gij zeidet tot mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.

43

Waarom hebt gij dan de eed des HEREN niet gehouden, en het gebod dat ik u had opgelegd?