Terug naar 1 Koningen 2
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 2:34

En Benaja, de zoon van Jojada, trok op, en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn eigen huis in de woestijn.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 2 — omringende verzen

29

En aan koning Salomo werd bericht: Joab is gevlucht naar de tabernakel des HEREN, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, en zei: Ga, sla hem neer.

30

En Benaja kwam tot de tabernakel des HEREN en zei tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. Maar hij zei: Neen, maar hier zal ik sterven. En Benaja bracht de koning het antwoord terug, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.

31

En de koning zei tot hem: Doe zoals hij gezegd heeft, sla hem neer en begraaf hem, opdat gij het onschuldige bloed dat Joab vergoten heeft, van mij en van het huis mijns vaders wegneemt.

32

En de HEER zal zijn bloed op zijn eigen hoofd doen terugkeren, die twee mannen aanviel die rechtvaardiger en beter waren dan hij, en hen met het zwaard doodde — mijn vader David het niet wetende — namelijk Abner, de zoon van Ner, de aanvoerder van het heer van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de aanvoerder van het heer van Juda.

33

Hun bloed zal dan terugkeren op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn nageslacht voor eeuwig; maar voor David en voor zijn nageslacht en voor zijn huis en voor zijn troon zal er vrede zijn voor eeuwig van de HEER.

34

En Benaja, de zoon van Jojada, trok op, en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn eigen huis in de woestijn.

35

En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het heer; en Zadok de priester stelde de koning in de plaats van Abjathar.

36

En de koning zond en riep Simeï en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem en woon daar, en ga van daar nergens heen.

37

Want het zal geschieden, dat op de dag dat gij uitgaat en over de beek Kidron trekt, gij zeker weten zult dat gij voorzeker sterven zult; uw bloed zal op uw eigen hoofd zijn.

38

En Simeï zei tot de koning: Het woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.

39

En het geschiedde aan het einde van drie jaren, dat twee dienaren van Simeï wegvluchtten naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men berichtte Simeï: Zie, uw dienaren zijn in Gath.