Terug naar 1 Koningen 3
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 3:22

En de andere vrouw zei: Neen; maar het levende kind is mijn zoon, en het dode is uw zoon. Maar deze zei: Neen; maar het dode is uw zoon, en het levende is mijn zoon. Zo spraken zij voor de koning.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 3 — omringende verzen

17

En de ene vrouw zei: O, mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis, en ik baarde een kind bij haar in het huis.

18

En het geschiedde op de derde dag nadat ik gebaard had, dat deze vrouw ook baarde; en wij waren samen; er was geen vreemdeling bij ons in het huis, behalve wij beiden.

19

En het kind van deze vrouw stierf des nachts, omdat zij het had overgelegen.

20

En zij stond op te middernacht en nam mijn zoon van naast mij, terwijl uw dienstmaagd sliep, en legde hem aan haar boezem, en haar dode kind legde zij aan mijn boezem.

21

En toen ik des morgens opstond om mijn kind de borst te geven, zie, het was dood; maar toen ik het des morgens aandachtig bekeek, zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.

22

En de andere vrouw zei: Neen; maar het levende kind is mijn zoon, en het dode is uw zoon. Maar deze zei: Neen; maar het dode is uw zoon, en het levende is mijn zoon. Zo spraken zij voor de koning.

23

Toen zei de koning: De ene zegt: Dit is mijn zoon die leeft, en uw zoon is de dode; en de andere zegt: Neen; maar uw zoon is de dode, en mijn zoon is de levende.

24

En de koning zei: Breng mij een zwaard. En zij brachten een zwaard voor de koning.

25

En de koning zei: Deel het levende kind in tweeën, en geef de helft aan de ene en de helft aan de andere.

26

Toen sprak de vrouw wier zoon de levende was tot de koning, want haar moederhart brandde van liefde voor haar zoon, en zij zei: Och, mijn heer, geef haar het levende kind, en dood het geenszins. Maar de andere zei: Laat het noch van mij noch van u zijn; deelt het.

27

Toen antwoordde de koning en zei: Geef haar het levende kind, en dood het geenszins; zij is zijn moeder.