1 Koningen 4:9
“De zoon van Dekar, in Makaz, en in Saälbim, en Betksemes, en Elon-Bet-Hanan;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 4 — omringende verzen
En Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger; en Zadok en Abjathar waren priesters.
5En Azaria, de zoon van Nathan, was over de opzieners; en Zabud, de zoon van Nathan, was een voornaam raadsman en vriend des konings.
6En Ahisar was over het huis; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de herendienst.
7En Salomo had twaalf opzieners over geheel Israël, die voor de koning en zijn huis levensmiddelen verschaften; ieder moest één maand per jaar voor de voorziening zorgen.
8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur, op het gebergte van Efraïm;
De zoon van Dekar, in Makaz, en in Saälbim, en Betksemes, en Elon-Bet-Hanan;
De zoon van Hesed, in Arubbot; hem behoorde Socho en geheel het land van Hefer;
11De zoon van Abinadab, in heel het gewest van Dor; hij had Tafath, de dochter van Salomo, tot vrouw;
12Baäna, de zoon van Ahilud; hem behoorden Taänach en Megiddo, en heel Bet-Sean, dat bij Zartana ligt, beneden Jizreël, van Bet-Sean tot Abel-Mehola, ja tot voorbij Jokneam;
13De zoon van Geber, in Ramot-Gilead; hem behoorden de vlekken van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead liggen; hem behoorde ook het gewest Argob, dat in Basan ligt, zestig grote steden met muren en koperen grendels;
14Ahinadab, de zoon van Iddo, had Mahanaïm;