1 Koningen 4:12
“Baäna, de zoon van Ahilud; hem behoorden Taänach en Megiddo, en heel Bet-Sean, dat bij Zartana ligt, beneden Jizreël, van Bet-Sean tot Abel-Mehola, ja tot voorbij Jokneam;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 4 — omringende verzen
En Salomo had twaalf opzieners over geheel Israël, die voor de koning en zijn huis levensmiddelen verschaften; ieder moest één maand per jaar voor de voorziening zorgen.
8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur, op het gebergte van Efraïm;
9De zoon van Dekar, in Makaz, en in Saälbim, en Betksemes, en Elon-Bet-Hanan;
10De zoon van Hesed, in Arubbot; hem behoorde Socho en geheel het land van Hefer;
11De zoon van Abinadab, in heel het gewest van Dor; hij had Tafath, de dochter van Salomo, tot vrouw;
Baäna, de zoon van Ahilud; hem behoorden Taänach en Megiddo, en heel Bet-Sean, dat bij Zartana ligt, beneden Jizreël, van Bet-Sean tot Abel-Mehola, ja tot voorbij Jokneam;
De zoon van Geber, in Ramot-Gilead; hem behoorden de vlekken van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead liggen; hem behoorde ook het gewest Argob, dat in Basan ligt, zestig grote steden met muren en koperen grendels;
14Ahinadab, de zoon van Iddo, had Mahanaïm;
15Ahimaäz was in Naftali; hij nam ook Basmat, de dochter van Salomo, tot vrouw;
16Baäna, de zoon van Husai, was in Aser en in Alot;
17Josafat, de zoon van Paru'ach, in Issaschar;