1 Koningen 8:21
“En ik heb daar een plaats gesteld voor de ark, waarin het verbond van de HEER is, dat Hij met onze vaderen gemaakt heeft, toen Hij hen uitleidde uit het land Egypte.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 8 — omringende verzen
Van de dag af dat Ik mijn volk Israël uit Egypte geleid heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël om een huis te bouwen, opdat mijn naam daarin zou zijn; maar Ik heb David gekozen om over mijn volk Israël te zijn.
17En het was in het hart van mijn vader David om een huis te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël.
18En de HEER zei tot mijn vader David: Dat het in uw hart was om een huis voor mijn naam te bouwen, daarin hebt u wel gedaan dat het in uw hart was.
19Maar u zult het huis niet bouwen; uw zoon echter, die uit uw lendenen voortkomt, hij zal het huis voor mijn naam bouwen.
20En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan dat Hij gesproken heeft, en ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en zit op de troon van Israël, zoals de HEER beloofd heeft, en heb een huis gebouwd voor de naam van de HEER, de God van Israël.
En ik heb daar een plaats gesteld voor de ark, waarin het verbond van de HEER is, dat Hij met onze vaderen gemaakt heeft, toen Hij hen uitleidde uit het land Egypte.
En Salomo stond voor het altaar van de HEER voor de ogen van de gehele vergadering van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel:
23En hij zei: HEER, God van Israël, er is geen God zoals U, in de hemel boven of op de aarde beneden, die het verbond en de goedertierenheid bewaart voor Uw dienstknechten die voor U wandelen met hun gehele hart;
24Die aan Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt wat U hem beloofd had: U hebt het met Uw mond gesproken en met Uw hand vervuld, zoals het heden ten dage is.
25Daarom nu, HEER, God van Israël, houd aan Uw knecht, mijn vader David, wat U hem beloofd hebt, zeggende: Het zal u niet ontbreken aan een man voor Mijn aangezicht die op de troon van Israël zit; mits uw kinderen op hun weg letten, dat zij voor Mij wandelen zoals u voor Mij gewandeld hebt.
26En nu, o God van Israël, laat toch Uw woord bewaarheid worden, dat U tot Uw knecht, mijn vader David, gesproken hebt.