Terug naar 1 Koningen 8
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 8:30

En hoor naar de smeekbede van Uw knecht en van Uw volk Israël, wanneer zij tot deze plaats bidden zullen: en hoor U in de hemel, Uw woonplaats: en wanneer U hoort, vergeef.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 8 — omringende verzen

25

Daarom nu, HEER, God van Israël, houd aan Uw knecht, mijn vader David, wat U hem beloofd hebt, zeggende: Het zal u niet ontbreken aan een man voor Mijn aangezicht die op de troon van Israël zit; mits uw kinderen op hun weg letten, dat zij voor Mij wandelen zoals u voor Mij gewandeld hebt.

26

En nu, o God van Israël, laat toch Uw woord bewaarheid worden, dat U tot Uw knecht, mijn vader David, gesproken hebt.

27

Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten; hoeveel te minder dit huis dat ik gebouwd heb?

28

Maar wendt U toch tot het gebed van Uw knecht en tot zijn smeekbede, o HEER, mijn God, om te horen naar de roep en het gebed dat Uw knecht heden voor U bidt:

29

Opdat Uw ogen open mogen zijn over dit huis nacht en dag, over de plaats waarvan U gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn; opdat U moogt horen naar het gebed dat Uw knecht tot deze plaats bidden zal.

30

En hoor naar de smeekbede van Uw knecht en van Uw volk Israël, wanneer zij tot deze plaats bidden zullen: en hoor U in de hemel, Uw woonplaats: en wanneer U hoort, vergeef.

31

Indien iemand zondigt tegen zijn naaste, en hem een eed wordt opgelegd om hem te doen zweren, en de eed voor Uw altaar in dit huis komt:

32

Hoor dan U in de hemel, en handel, en oordeel Uw knechten, door de goddeloze te veroordelen, om zijn weg op zijn hoofd te brengen, en door de rechtvaardige te rechtvaardigen, om hem te geven naar zijn gerechtigheid.

33

Wanneer Uw volk Israël voor de vijand verslagen wordt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij zich tot U bekeren en Uw naam belijden, en bidden en smeken tot U in dit huis:

34

Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U hun vaderen gegeven hebt.

35

Wanneer de hemel gesloten is en er geen regen valt, omdat zij tegen U gezondigd hebben; als zij bidden naar deze plaats, en Uw naam belijden, en zich afkeren van hun zonde, wanneer U hen verdrukt: