1 Koningen 8:33
“Wanneer Uw volk Israël voor de vijand verslagen wordt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij zich tot U bekeren en Uw naam belijden, en bidden en smeken tot U in dit huis:”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 8 — omringende verzen
Maar wendt U toch tot het gebed van Uw knecht en tot zijn smeekbede, o HEER, mijn God, om te horen naar de roep en het gebed dat Uw knecht heden voor U bidt:
29Opdat Uw ogen open mogen zijn over dit huis nacht en dag, over de plaats waarvan U gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn; opdat U moogt horen naar het gebed dat Uw knecht tot deze plaats bidden zal.
30En hoor naar de smeekbede van Uw knecht en van Uw volk Israël, wanneer zij tot deze plaats bidden zullen: en hoor U in de hemel, Uw woonplaats: en wanneer U hoort, vergeef.
31Indien iemand zondigt tegen zijn naaste, en hem een eed wordt opgelegd om hem te doen zweren, en de eed voor Uw altaar in dit huis komt:
32Hoor dan U in de hemel, en handel, en oordeel Uw knechten, door de goddeloze te veroordelen, om zijn weg op zijn hoofd te brengen, en door de rechtvaardige te rechtvaardigen, om hem te geven naar zijn gerechtigheid.
Wanneer Uw volk Israël voor de vijand verslagen wordt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij zich tot U bekeren en Uw naam belijden, en bidden en smeken tot U in dit huis:
Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U hun vaderen gegeven hebt.
35Wanneer de hemel gesloten is en er geen regen valt, omdat zij tegen U gezondigd hebben; als zij bidden naar deze plaats, en Uw naam belijden, en zich afkeren van hun zonde, wanneer U hen verdrukt:
36Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, zodat U hen de goede weg leert waarop zij moeten wandelen, en geef regen over Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
37Als er in het land hongersnood is, als er pestilentie is, korenbrand, meeldauw, sprinkhanen, of als er rupsenzijn; als de vijand hen belegert in het land van hun steden; welke plaag of ziekte er ook zij;
38Welk gebed of welke smeekbede ook gedaan wordt door enig mens of door heel Uw volk Israël, die ieder de plaag van zijn eigen hart kent en zijn handen uitbreidt naar dit huis: