Terug naar 1 Koningen 8
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 8:36

Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, zodat U hen de goede weg leert waarop zij moeten wandelen, en geef regen over Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 8 — omringende verzen

31

Indien iemand zondigt tegen zijn naaste, en hem een eed wordt opgelegd om hem te doen zweren, en de eed voor Uw altaar in dit huis komt:

32

Hoor dan U in de hemel, en handel, en oordeel Uw knechten, door de goddeloze te veroordelen, om zijn weg op zijn hoofd te brengen, en door de rechtvaardige te rechtvaardigen, om hem te geven naar zijn gerechtigheid.

33

Wanneer Uw volk Israël voor de vijand verslagen wordt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij zich tot U bekeren en Uw naam belijden, en bidden en smeken tot U in dit huis:

34

Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U hun vaderen gegeven hebt.

35

Wanneer de hemel gesloten is en er geen regen valt, omdat zij tegen U gezondigd hebben; als zij bidden naar deze plaats, en Uw naam belijden, en zich afkeren van hun zonde, wanneer U hen verdrukt:

36

Hoor dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, zodat U hen de goede weg leert waarop zij moeten wandelen, en geef regen over Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.

37

Als er in het land hongersnood is, als er pestilentie is, korenbrand, meeldauw, sprinkhanen, of als er rupsenzijn; als de vijand hen belegert in het land van hun steden; welke plaag of ziekte er ook zij;

38

Welk gebed of welke smeekbede ook gedaan wordt door enig mens of door heel Uw volk Israël, die ieder de plaag van zijn eigen hart kent en zijn handen uitbreidt naar dit huis:

39

Hoor dan in de hemel, Uw woonplaats, en vergeef, en doe, en geef aan ieder naar zijn wegen, U die zijn hart kent; (want U, ja U alleen, kent de harten van alle kinderen der mensen;)

40

Opdat zij U vrezen al de dagen dat zij leven in het land dat U onze vaderen gegeven hebt.

41

Bovendien, aangaande de vreemdeling die niet van Uw volk Israël is, maar uit een ver land komt omwille van Uw naam;