Terug naar 1 Koningen 8
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 8:54

En het geschiedde, toen Salomo dit gehele gebed en deze smeekbede tot de HEER geëindigd had, dat hij opstond van vóór het altaar van de HEER, van het knielen op zijn knieën met zijn handen uitgespreid naar de hemel.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 8 — omringende verzen

49

Hoor dan in de hemel, Uw woonplaats, hun gebed en hun smeekbede, en handhaaf hun zaak,

50

En vergeef Uw volk dat tegen U gezondigd heeft, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtreden hebben, en schenk hun barmhartigheid voor het aangezicht van hen die hen gevangen hebben weggevoerd, zodat dezen zich over hen ontfermen;

51

Want zij zijn Uw volk en Uw erfenis, die U uit Egypte hebt uitgeleid, uit de smeltoven van ijzer:

52

Opdat Uw ogen geopend mogen zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, om naar hen te luisteren in alles waarvoor zij tot U roepen.

53

Want U hebt hen afgezonderd van alle volken der aarde om Uw erfenis te zijn, zoals U gesproken hebt door de hand van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, o HEER, onze God.

54

En het geschiedde, toen Salomo dit gehele gebed en deze smeekbede tot de HEER geëindigd had, dat hij opstond van vóór het altaar van de HEER, van het knielen op zijn knieën met zijn handen uitgespreid naar de hemel.

55

En hij stond op en zegende de gehele vergadering van Israël met luide stem en zei:

56

Geprezen zij de HEER, die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij beloofd heeft; niet één woord van al Zijn goede beloften, die Hij gesproken heeft door de hand van Mozes, Zijn dienaar, is uitgebleven.

57

De HEER, onze God, zij met ons, zoals Hij met onze vaderen geweest is; moge Hij ons niet verlaten noch verstoten:

58

Opdat Hij onze harten tot Hem neige, om te wandelen in al Zijn wegen en Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn rechten te onderhouden, die Hij onze vaderen geboden heeft.

59

En laten deze mijn woorden, waarmee ik gesmeekt heb voor het aangezicht van de HEER, dag en nacht nabij de HEER, onze God, zijn, opdat Hij de zaak van Zijn dienaar en de zaak van Zijn volk Israël te allen tijde handhaaft, naar gelang dit vereist wordt;