Terug naar 1 Koningen 8
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 8:58

Opdat Hij onze harten tot Hem neige, om te wandelen in al Zijn wegen en Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn rechten te onderhouden, die Hij onze vaderen geboden heeft.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 8 — omringende verzen

53

Want U hebt hen afgezonderd van alle volken der aarde om Uw erfenis te zijn, zoals U gesproken hebt door de hand van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, o HEER, onze God.

54

En het geschiedde, toen Salomo dit gehele gebed en deze smeekbede tot de HEER geëindigd had, dat hij opstond van vóór het altaar van de HEER, van het knielen op zijn knieën met zijn handen uitgespreid naar de hemel.

55

En hij stond op en zegende de gehele vergadering van Israël met luide stem en zei:

56

Geprezen zij de HEER, die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij beloofd heeft; niet één woord van al Zijn goede beloften, die Hij gesproken heeft door de hand van Mozes, Zijn dienaar, is uitgebleven.

57

De HEER, onze God, zij met ons, zoals Hij met onze vaderen geweest is; moge Hij ons niet verlaten noch verstoten:

58

Opdat Hij onze harten tot Hem neige, om te wandelen in al Zijn wegen en Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn rechten te onderhouden, die Hij onze vaderen geboden heeft.

59

En laten deze mijn woorden, waarmee ik gesmeekt heb voor het aangezicht van de HEER, dag en nacht nabij de HEER, onze God, zijn, opdat Hij de zaak van Zijn dienaar en de zaak van Zijn volk Israël te allen tijde handhaaft, naar gelang dit vereist wordt;

60

Opdat alle volken der aarde weten dat de HEER God is en dat er niemand anders is.

61

Laat uw hart dan volkomen zijn met de HEER, onze God, om in Zijn inzettingen te wandelen en Zijn geboden te onderhouden, zoals op deze dag.

62

En de koning, en heel Israël met hem, brachten een offer voor het aangezicht van de HEER.

63

En Salomo offerde een vredeoffergave, die hij de HEER offerde: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle kinderen van Israël het huis van de HEER in.