1 Koningen 9:27
“En Hiram zond met de vloot zijn dienaren, zeelieden die de zee kenden, samen met de dienaren van Salomo.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 9 — omringende verzen
Maar van de kinderen van Israël maakte Salomo geen slaven; zij waren de krijgslieden, zijn dienaren, zijn vorsten, zijn bevelhebbers, de aanvoerders van zijn strijdwagens en zijn ruiters.
23Dezen waren de hoofdopzichters die gesteld waren over het werk van Salomo: vijfhonderdvijftig, die het gezag voerden over het volk dat het werk verrichtte.
24Maar de dochter van Farao trok op uit de stad van David naar haar huis dat Salomo voor haar gebouwd had; daarna bouwde hij de Millo.
25En drie maal per jaar bracht Salomo brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER gebouwd had, en brandde wierook op het altaar dat voor het aangezicht van de HEER stond. Zo voltooide hij het huis.
26En koning Salomo maakte een vloot schepen in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt aan de oever van de Rode Zee, in het land Edom.
En Hiram zond met de vloot zijn dienaren, zeelieden die de zee kenden, samen met de dienaren van Salomo.
En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot koning Salomo.