1 Koningen 9:24
“Maar de dochter van Farao trok op uit de stad van David naar haar huis dat Salomo voor haar gebouwd had; daarna bouwde hij de Millo.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 9 — omringende verzen
En alle voorraadsteden die Salomo had, en de steden voor zijn strijdwagens en de steden voor zijn ruiters, en alles wat Salomo begeerde te bouwen in Jeruzalem, in de Libanon en in heel het land van zijn heerschappij.
20En al het volk dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten, die niet van de kinderen van Israël waren,
21Hun kinderen die na hen in het land waren overgebleven, die de kinderen van Israël niet ten volle hadden kunnen uitroeien, over hen legde Salomo een herendienst op tot op deze dag.
22Maar van de kinderen van Israël maakte Salomo geen slaven; zij waren de krijgslieden, zijn dienaren, zijn vorsten, zijn bevelhebbers, de aanvoerders van zijn strijdwagens en zijn ruiters.
23Dezen waren de hoofdopzichters die gesteld waren over het werk van Salomo: vijfhonderdvijftig, die het gezag voerden over het volk dat het werk verrichtte.
Maar de dochter van Farao trok op uit de stad van David naar haar huis dat Salomo voor haar gebouwd had; daarna bouwde hij de Millo.
En drie maal per jaar bracht Salomo brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER gebouwd had, en brandde wierook op het altaar dat voor het aangezicht van de HEER stond. Zo voltooide hij het huis.
26En koning Salomo maakte een vloot schepen in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt aan de oever van de Rode Zee, in het land Edom.
27En Hiram zond met de vloot zijn dienaren, zeelieden die de zee kenden, samen met de dienaren van Salomo.
28En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot koning Salomo.