1 Korintiërs 12:20
“Maar nu zijn zij wel vele leden, maar één lichaam.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Korintiërs 12 — omringende verzen
Indien de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; behoort hij daarom niet tot het lichaam?
16En indien het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam; behoort het daarom niet tot het lichaam?
17Indien het gehele lichaam een oog was, waar zou het gehoor zijn? Indien het geheel gehoor was, waar zou de reuk zijn?
18Maar nu heeft God de leden elk van hen in het lichaam gesteld, zoals het Hem behaagd heeft.
19En indien zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn?
Maar nu zijn zij wel vele leden, maar één lichaam.
En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet nodig; noch het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
22Ja, veeleer zijn de leden van het lichaam die zwakker schijnen te zijn, noodzakelijk.
23En die leden van het lichaam die wij minder eerbaar achten, bekleden wij met overvloediger eer; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger sierlijkheid.
24Want onze sierlijke leden hebben dit niet nodig; maar God heeft het lichaam samengevoegd, en aan het ontbrekende deel overvloediger eer gegeven.
25Opdat er geen scheuring in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.