1 Korintiërs 4:3
“Maar bij mij is het een zeer geringe zaak dat ik door u of door een menselijk oordeel geoordeeld zou worden; ja, ik oordeel mijzelf ook niet.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Korintiërs 4 — omringende verzen
Laat een mens ons zo beschouwen: als dienaars van Christus en rentmeesters van de verborgenheden Gods.
2Bovendien wordt er van rentmeesters geëist dat iemand trouw bevonden wordt.
Maar bij mij is het een zeer geringe zaak dat ik door u of door een menselijk oordeel geoordeeld zou worden; ja, ik oordeel mijzelf ook niet.
Want ik ben mij van niets bewust; maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd, maar Hij Die mij oordeelt, is de Heer.
5Daarom, oordeelt niets vóór de tijd, totdat de Heer komt, Die zowel de verborgen dingen van de duisternis aan het licht zal brengen, als de beraadslagingen van de harten openbaar zal maken; en dan zal een ieder lof ontvangen van God.
6En deze dingen, broeders, heb ik in een beeld op mijzelf en op Apollos toegepast, ter wille van u, opdat gij door ons zoudt leren niet te denken boven hetgeen geschreven is, opdat niemand van u zich opblaze voor de een tegen de ander.
7Want wie maakt u onderscheiden? En wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het ook ontvangen hebt, waarom roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt?
8Gij zijt nu reeds verzadigd, gij zijt nu reeds rijk geworden, gij hebt als koningen geregeerd zonder ons; en och, of gij maar regeerdet, opdat ook wij met u zouden mogen regeren!