1 Korintiërs 6:8
“Maar gij doet onrecht en gij benadelt, en dat nog wel uw broeders.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Korintiërs 6 — omringende verzen
Weet gij niet dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer dan zaken die dit leven betreffen?
4Indien gij dan rechtszaken hebt over dingen die dit leven betreffen, stel dan hen aan om te oordelen die in de gemeente het minst geacht zijn.
5Ik zeg dit tot uw beschaming. Is het zo dat er onder u geen enkel wijs man is, zelfs niet een, die in staat zal zijn te oordelen tussen zijn broeders?
6Maar broeder voert een rechtszaak tegen broeder, en dat voor ongelovigen!
7Nu is er dan in het geheel reeds een tekortkoming onder u, dat gij rechtszaken tegen elkaar hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever benadelen?
Maar gij doet onrecht en gij benadelt, en dat nog wel uw broeders.
Weet gij niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch wellustige mannen, noch die bij mannen liggen,
10noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, noch lasteraars, noch rovers, zullen het Koninkrijk Gods beërven.
11En dit zijn sommigen van u geweest; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest van onze God.
12Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij door geen ding laten beheersen.
13De spijzen zijn voor de buik, en de buik voor de spijzen; maar God zal zowel deze als die tenietdoen. Het lichaam nu is niet voor de hoererij, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam.