1 Korintiërs 7:12
“Maar tot de overigen zeg ik, niet de Heer: indien een broeder een ongelovige vrouw heeft en zij er genoegen in heeft bij hem te wonen, laat hij haar niet wegzenden.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Korintiërs 7 — omringende verzen
Want ik zou willen dat alle mensen waren zoals ik. Maar ieder heeft zijn eigen gave van God, de een op deze wijze, de ander op die wijze.
8Ik zeg daarom tot de ongehuwden en de weduwen: het is goed voor hen indien zij blijven zoals ik.
9Maar indien zij zich niet kunnen beheersen, laat hen dan trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte.
10En tot de gehuwden gebied Ik, doch niet Ik, maar de Heer: laat de vrouw niet scheiden van haar man;
11maar indien zij toch scheidt, laat zij dan ongehuwd blijven of zich verzoenen met haar man; en laat de man zijn vrouw niet wegzenden.
Maar tot de overigen zeg ik, niet de Heer: indien een broeder een ongelovige vrouw heeft en zij er genoegen in heeft bij hem te wonen, laat hij haar niet wegzenden.
En de vrouw die een ongelovige man heeft, en indien hij er genoegen in heeft bij haar te wonen, laat zij hem niet verlaten.
14Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
15Maar indien de ongelovige wil scheiden, laat hem scheiden. Een broeder of een zuster is niet gebonden in zulke gevallen; maar God heeft ons geroepen tot vrede.
16Want wat weet gij, vrouw, of gij uw man zalig zult maken? Of wat weet gij, man, of gij uw vrouw zalig zult maken?
17Maar zoals God aan een ieder heeft toebedeeld, zoals de Heer een ieder geroepen heeft, zo laat hij wandelen. En zo verorden ik in alle gemeenten.