1 Kronieken 17:16
“En koning David kwam en bleef voor het aangezicht des HEREN, en zei: Wie ben ik, HEER God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 17 — omringende verzen
En het zal geschieden, wanneer uw dagen vervuld zijn en gij heengaan moet om bij uw vaderen te zijn, dat Ik uw zaad na u zal verwekken, dat uit uw zonen zal zijn, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
12Hij zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.
13Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn, en Ik zal Mijn goedertierenheid niet van hem wegnemen, zoals Ik die weggenomen heb van hem die vóór u was.
14Maar Ik zal hem bevestigen in Mijn huis en in Mijn koninkrijk voor eeuwig, en zijn troon zal voor altoos bevestigd zijn.
15Overeenkomstig al deze woorden en overeenkomstig geheel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.
En koning David kwam en bleef voor het aangezicht des HEREN, en zei: Wie ben ik, HEER God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
En dit was nog gering in Uw ogen, o God, want Gij hebt ook gesproken over het huis van Uw dienaar voor een verre toekomst, en Gij hebt mij aangezien naar de wijze van een hooggeplaatst mens, o HEER God.
18Wat kan David meer tot U spreken over de eer van Uw dienaar? Want Gij kent Uw dienaar.
19HEER, omwille van Uw dienaar en naar Uw eigen hart hebt Gij al deze grootheid gedaan, door al deze grote dingen bekend te maken.
20HEER, er is niemand zoals Gij, en er is geen God behalve Gij, naar alles wat wij met onze oren gehoord hebben.
21En wie is er als Uw volk Israël, één volk op de aarde, dat God gegaan is te verlossen tot Zijn eigen volk, om U een naam te maken van grootheid en ontzagwekkendheid, door volken te verdrijven voor Uw volk dat Gij uit Egypte verlost hebt?