1 Kronieken 2:16
“Wier zusters waren Zeruja en Abigaïl. En de zonen van Zeruja: Abisai, en Joab, en Asahel, drie.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 2 — omringende verzen
En Nahson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz,
12En Boaz verwekte Obed, en Obed verwekte Isaï,
13En Isaï verwekte zijn eerstgeborene Eliab, en Abinadab de tweede, en Simma de derde,
14Nethaneël de vierde, Raddai de vijfde,
15Ozem de zesde, David de zevende:
Wier zusters waren Zeruja en Abigaïl. En de zonen van Zeruja: Abisai, en Joab, en Asahel, drie.
En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, de Ismaëliet.
18En Kaleb, de zoon van Hezron, verwekte kinderen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jerioth: haar zonen zijn deze: Jeser, en Sobab, en Ardon.
19En toen Azuba gestorven was, nam Kaleb Efrath voor zichzelf, die hem Hur baarde.
20En Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.
21En daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, die hij getrouwd had toen hij zestig jaar oud was; en zij baarde hem Segub.