1 Kronieken 26:19
“Dit zijn de afdelingen van de poortwachters onder de zonen van Kore, en onder de zonen van Merari.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 26 — omringende verzen
En het lot oostwaarts viel op Selemja. Daarna wierpen zij het lot voor Zacharia zijn zoon, een wijs raadsman, en zijn lot viel op het noorden.
15Obed-Edom kreeg het zuiden; en zijn zonen kregen het huis van Asuppim.
16Voor Sippim en Hosa viel het lot westwaarts, bij de poort Sallecheth, aan de oprijlaan naar boven, wacht tegenover wacht.
17Aan de oostzijde waren zes Levieten, aan de noordzijde vier per dag, aan de zuidzijde vier per dag, en bij Asuppim twee aan twee.
18Bij Parbar aan de westzijde vier bij de oprijlaan, en twee bij Parbar.
Dit zijn de afdelingen van de poortwachters onder de zonen van Kore, en onder de zonen van Merari.
En van de Levieten was Ahija aangesteld over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de gewijde gaven.
21Aangaande de zonen van Laädan: de zonen van de Gersjoniet Laädan, hoofdvaders, ja van Laädan de Gersjoniet, was Jehiël.
22De zonen van Jehiël: Zetham en zijn broeder Joël, die aangesteld waren over de schatten van het huis van de HEER.
23Van de Amramieten, de Jizharieten, de Hebronieten en de Uzziëlieten:
24En Sebuel, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was opziener over de schatten.